Singapore begon als een klein vissersdorpje, bewoond door Maleisische en Chinese gemeenschappen. In 1819 arriveerde Sir Stamford Raffles en richtte een Britse handelspost op. Dankzij de strategische ligging aan de zeehandelsroutes groeide Singapore al snel uit tot een belangrijke haven voor de Britse Oost-Indische Compagnie. In 1826 werd het onderdeel van de Straits Settlements, samen met Malakka en Penang, waardoor het land Europese infrastructuur en bestuur kreeg.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd Singapore in 1942 door Japan bezet. De bevolking leed zwaar, vooral tijdens de “Sook Ching”-massamoord waarbij duizenden etnische Chinezen werden vermoord. Deze periode liet diepe sporen na in het collectieve geheugen. Na de bevrijding begon Singapore aan herstel en modernisering, met nadruk op infrastructuur, onderwijs en economie.
In 1963 sloot Singapore zich kort aan bij Maleisië, maar politieke en etnische spanningen leidden tot volledige onafhankelijkheid in 1965. Onder leiding van Lee Kuan Yew en de PAP werd het land snel geïndustrialiseerd en gemoderniseerd. Vandaag is Singapore een multiculturele stadstaat en financieel centrum met wereldwijde invloed.